Home > Diagnose > CIAP diagnose en geleidingsonderzoek

CIAP diagnose en geleidingsonderzoek

De diagnose van CIAP dient o.a. te berusten op geleidingsonderzoek, waarbij het kenmerk is dat de impulsgeleiding licht vertraagd is. In een recent proefschrift over CIAP een passage die van belang is bij de diagnose stelling van CIAP:

Classificatie en diagnose CIAP met geleidingonderzoek 

De passage begint met de classificatie van de polyneuropathie: 

Een polyneuropathie kan geclassificeerd worden als axonaal (d.w.z. er is beschadiging en dysfunctie van de uitlopers van de zenuwcellen, de axonen, zelf) of demyeliniserend (d.w.z. er is beschadiging en dysfunctie van de geleidingslaag, het myeline, rondom de axonen).

Gewoonlijk gebeurt dit met behulp van een electrofysiologisch onderzoek, waarbij onder andere de electrische geleidingsfunctie van arm- en beenzenuwen wordt gemeten. De classificatie is van belang, omdat die richting kan geven aan het aanvullende onderzoek en een aanwijzing kan vormen voor de diagnose en de behandelingsmogelijkheden.

Veruit de meeste polyneuropathieën zijn van het axonale type. Sensibel geleidingsonderzoek van de nervus suralis (een onderbeenszenuw) wordt als een gevoelige methode beschouwd om een axonale polyneuropathie te kunnen vaststellen, maar dit is niet altijd het geval.

Dr Hessel Franssen over geleiding bij CIAP

Dr Hessel Franssen uit het UMCU is een van de kenners van CIAP. Hij gaf de volgende criteria voor axonale degeneratie:

 

Als criteria voor axonale degeneratie gelden algemeen geaccepteerde normen die voor een belangrijk deel op vele oudere publicaties berusten. Criteria zijn:

(1)   een afname tot onder de ondergrens van normaal van de distaal opgewekte CMAP of SNAP en

(2)   de volgende afwijkingen bij het naald-EMG: spontane spiervezelactiviteit (zoals fibrillaties, positieve scherpe golven en complexe repeterende ontladingen), grote brede polyfasische MUP’s en verhoogde vuurgrequentie (> 20 Hz) van MUP’s in een enkelvoudig aanspanningspatroon.

Deze afwijkingen zijn niet allen specifiek voor axonale degeneratie. Zo kan een verlaagde CMAP ook ontstaan door een stoornis in de neuromusculaire overdracht (vooral Lambert Eaton Myastheen Syndroom), een myopathie of zeer distale geleidingsblokkade. Spontane spiervezelactiviteit kan ook voorkomen bij myopathieën en zelfs bij myasthenia gravis. 

Zie: https://www.nvknf.nl/onderwijs/nascholing/knfdagen/verslagen/2000/knfdagen2000.htm#2 

Diagnose verbeteren met de SRAR? 

In een gecontroleerde studie bij 393 personen zonder polyneuropathie en 328 personen met verschijnselen van polyneuropathie (hoofdstuk 3) werd onderzocht of de diagnostische opbrengst voor axonale polyneuropathie zou kunnen verbeteren door bepaling van de suralis/radialis amplitude ratio (SRAR), of aanvullend sensibel geleidingsonderzoek van de nervus peroneus superficialis (een andere onderbeenszenuw) en de nervus suralis dorsalis (een zenuwtakje van de nervus suralis op de voetrug).

In de studie wordt aangetoond dat geleidingsonderzoek van de suralis en peroneus superficialis complementaire waarde heeft en even nauwkeurig is voor het bevestigen van de diagnose axonale polyneuropathie. Daarentegen hebben bepaling van de SRAR of geleidingsonderzoek van de nervus suralis dorsalis weinig toegevoegde diagnostische waarde.

Hieruit blijkt dat het bepalen van de geleidingssnelheid van de zenuwimpuls in de onderbeenszenuwen de gouden standaard blijft, en dat afgeleiden, zoals de SRAR weinig toegevoegde waarde hebben. 

Bron:

Diagnostic efficiency and treatment strategy in chronic axonal polyneuropathy. Vrancken, A.F.J.E. Geneeskunde Proefschriften (2007) 

Augustus 2010, Prof. dr. Jan M. Keppel Hesselink