Home > Neuropathie > Overige > Dunne vezelneuropathie, amyloidose en transthyretine

Dunne vezelneuropathie, amyloidose en transthyretine

Dunne vezelneuropathie kan ook veroorzaakt worden door een bizarre ziekte, waarbij bepaalde eiwitten niet goed gevouwen worden, zoals dat heet. Dan is er sprake van de ziekte amyloidose en het is het zogenoemde voorlopereiwit van amyloid dat de problemen geeft: transthyretine. Het transthyretine heeft vooral een transportfunctie om het schildklierhormoon T4 in het bloed te dragen, dat lees je ook in de naam.

Amyloïd is dus het resultaat van eiwitten die in het eindsynthese proces verkeerd gevouwen worden en daardoor neerslaan in allerlei organen en zenuwen in het lichaam. Die neerslag kan in stukjes weefsel via een biopsie onder de microscoop bekeken worden. Onder een sterkere vergroting, onder de elektronenmicroscoop, blijkt het eiwit opgebouwd te zijn uit grote hoeveelheden vezeltjes, de zogenaamde amyloïdfibrillen. Als die biopsie gekleurd wordt met de kleurstof Congo-rood, kleurt het amyloïd onder de gewone microscoop rood, en dat rode materiaal wordt appelgroen als het bekeken wordt in gepolariseerd licht. 
Vermoedelijk in 1856 werd de eerste beschrijving gegeven van een patiënt met "primaire" amyloïdose door Samuel Wilks.  En in 1967 beschrijft Jan Scholten in Nederland als eerste een familie met erfelijke amyloïd polyneuropathie.

Amyloidose en dunne vezel neuropathie 

Er zijn verschillende vormen van amyloidose, en twee daarvan kunnen leiden tot aanvankelijk onbegrepen polyneuropathie, die ook pijnlijk kan zijn.
1. Verworven ATTR-amyloïdose, vooral boven de 80 jaar, waarbij het voorlopereiwit transthyretine (TTR) wordt gestapeld als het eiwit amyloïd. Vooral hartfalen is een belangrijk symptoom.
2. Erfelijke ATTR-amyloïdose is het gevolg van een erfelijke puntmutatie van dat voorlopereiwit transthyretine (TTR). Klinisch wordt dit type vooral gekenmerkt door neuropathie, vooral dunne vezel neuroparthie, maar ook aandoeningen van hart, nieren, darm en ogen kunnen voorkomen. 
Voor een mooie video animatie over wat amyloidosis is, zie op: https://vimeo.com/3358025 

De klassificatie van amyloidose 

Zie: https://www.amyloid.nl/classificatie.htm 

Er zijn erfelijke vormen en niet-erfelijke (zogeheten verworven) vormen. Tegenwoordig is een nadere chemische typering van het amyloïd mogelijk en wenselijk. Dit kan bijvoorbeeld door een stukje weefsel (biopsie) nauwkeurig te onderzoeken en te herleiden uit welk type eiwit het amyloïd is opgebouwd. De vijf belangrijkste systemische vormen van amyloïd die onderscheiden worden (vier verworven en een erfelijke) zijn respectievelijk het AA-, AL-, Aß2M- en twee ATTR-typen: 

  1. Verworven AA amyloïdose, als gevolg van chronische ontsteking. Het acute fase eiwit serum amyloïd A (SAA) is hier het precursor eiwit. Klinisch vooral gekenmerkt door proteïnurie en nierfunctiestoornissen.

  2. Verworven AL amyloïdose, als gevolg van een plasmacel dyscrasie. Het precursor eiwit is een kappa of lambda lichte keten. Klinisch zeer gevarieerde verschijningsvormen waaronder o.a. cardiomyopathie, hepatomegalie, nefrotisch syndroom, ernstige diarree, carpale tunnel syndroom en neuropathie (zowel perifeer als autonoom).

  3. Verworven Aß2M amyloïdose, als gevolg van dialyse nodig vanwege nierinsufficiëntie. Het eiwit ß2-microglobuline is hier het precursor eiwit omdat dit eiwit niet meer goed verwijderd kan worden uit het lichaam. Klinisch vooral gekenmerkt door carpale tunnel syndroom en gewrichtsproblematiek (schouders, handen, heupen, wervelkolom, etc.)

  4. Verworven ATTR amyloïdose, gezien bij hoge ouderdom (vooral boven de 80) van het normale ongemuteerde precursor eiwit transthyretine (TTR). Klinisch gekenmerkt door een langzaam progressieve cardiomyopathie.

  5. Erfelijke ATTR amyloïdose, als gevolg van een (autosomaal dominant) erfelijke puntmutatie van het precursor eiwit transthyretine (TTR). Klinisch vooral gekenmerkt door (familiaire) perifere en autonome neuropathie, maar ook wel door cardiale, renale en oculaire betrokkenheid.

Augustus 2010, Prof. dr. Jan M. Keppel Hesselink