Wat is een EMG, ofwel Elektromyogram?

EMG staat voor Elektromyogram. Letterlijk betekent dat ongeveer het beschrijven (gram) hoe de spier werkt (myo) door elektriciteit (Elektro). Het EMG is een onderdeel van het onderzoek dat de neuroloog kan doen bij symptomen van neuropathie.

wikimedia-Electromyographic_recording_at_adductor_pollicis_muscle_and_stimulation_of_the_ulnar_nerve emg elektromyogram

Een EMG is dus een spieronderzoek. Ook is het mogelijk om ook de zenuwgeleiding met dit onderzoek in kaart brengen. Beide vormen van onderzoek behoren tot het klinisch neurofysiologisch onderzoek.

Het meten van de spierfunctie werd al begin 19e eeuw ontwikkeld bij dieren. Tegenwoordig gaat het wel wat anders.

Waarom is een EMG nodig?

Het doel van een EMG is om inzicht te krijgen in het functioneren van de zenuwen en spieren. Het onderzoek wordt vooral ingezet bij patiënten die spier- of zenuwklachten hebben.

Het onderzoek wordt verricht door een neuroloog en/of een laborant en duurt 15 tot 45 minuten. Afhankelijk van het aantal zenuwen en/of spieren dat onderzocht moet worden.

Om de spieren te onderzoeken, worden heel dunne Elektroden gebruikt, die op acupunctuurnaalden lijken. Daarmee wordt dan in de spier geprikt. Dit kan wat pijnlijk zijn. Bij dit onderzoek wordt de elektrische activiteit van de spier ook in geluid omgezet. Zodat je wat knetteren en vreemde geluiden hoort, en ook als op beeld weergegeven.

Om de zenuwgeleiding te meten, worden er kleine metalen electroden aangebracht tussen de huid en het EMG-apparaat. Dan worden de zenuwen geprikkeld door op enkele plaatsen aan de zenuw elektrische schokjes gegeven. Dit kan een vervelend gevoel zijn. Zo wordt de geleidingssnelheid duidelijk.

EMG en Geleidingsonderzoek

De term EMG wordt wel gebruikt voor de beschrijving van twee verschillende onderzoekingen,

  • de eerste ervan is het onderzoek naar de snelheid waarmee een zenuwimpuls in de zenuw geleid wordt, het zogenaamde zenuwgeleidingsonderzoek.
  • Het tweede is het eigenlijke EMG, een onderzoek met een naaldelectrode naar de functionele eigenschappen van de spieren.

Beide onderzoeken kunnen eigenlijk beter samen aangeduid worden als electrodiagnostische studies. Bij studies naar de geleidingseigenschappen van de zenuwen kunnen de resultaten helpen bij de diagnose.

Zo kan je in een geleidingsonderzoek aflezen aan de resultaten of er een afname is van het aantal zenuwvezels. Dan is namelijk de hoogte van de zogenaamde amplitude minder. En je kan aflezen of de zenuwvezels zelf aangedaan zijn, of de isolatie rondom de zenuwvezels.

In het eerste geval spreken we van een axonale geleidingsstoornis, en CIAP is daarvan een voorbeeld. In het tweede geval is de myelineschede, de isolatie om de zenuw aangedaan. Dan spreken we van een demyeliniserende polyneuropathie.

Wanneer is een EMG zinvol?

Volgens de richtlijnen van de neurologen (2005) wordt een EMG gedaan bij diabetes, ernstige nierinsufficiëntie, chronisch alcoholisme of cytostaticagebruik.

Het is zinvol om bij neuropathie te kijken naar hoe de zenuwen problemen hebben met de geleiding van zenuwimpulsen. En hoe de spieren reageren op zenuwimpulsen. Zo kan de neuroloog een beeld krijgen van wat er werkelijk aan de hand is.

Door de snelheid van de geleiding kan je aflezen of het een neuropathie door een ontsteking is of door een beschadiging van de vezel. Bovendien kan je in de loop van de tijd een indruk krijgen over hoe de aandoening zich gedraagt. Is er snelle progressie of valt het heel erg mee.

Beperkingen van een EMG

Klik om te vergroten

Het lijkt allemaal heel precies. Maar dit meten is minder indrukwekkend precies dan dat je denkt als je de indrukwekkende apparaten ziet. Hier citeren we Wintzen en Van Dijk, dat wel voor de specialist is geschreven maar niettemin ook erg boeiend is:

Wat verwacht ik van een EMG?

A.R. Wintzen en J.G. van Dijk

Een arts verwacht van aanvullend onderzoek altijd hetzelfde: zekerheid in geval van twijfel. Tussen deze verwachting en het beoogde doel bevinden zich doorgaans obstakels.

In het geval van het EMG bestaan deze o.a. uit misplaatste onderschatting van de betrouwbaarheid van het klinische onderzoek. En misplaatste overschatting van de betrouwbaarheid van al wat elektronisch is. En onvoldoende besef van de noodzaak om na te gaan, of de bevindingen van klinisch en elektronisch onderzoek wel op elkaar aansluiten.

Dit probleem doet zich voor als de clinicus zelf het EMG uitvoert. Maar wordt groter dan hij deze taak delegeert. Omdat de splitsing van taken weliswaar meer verstand bij het probleem betrekt, maar ook meer misverstand.

Verhelderen van aantal zaken

Om een goed rendement uit het EMG onderzoek te krijgen, zullen enkele zaken moeten worden verhelderd. Men moet:

  1. weten wat men wel en wat men niet kan meten
  2. weten welke conclusie een bepaalde bevinding toelaat
  3. in het verslag bevinding en conclusie niet door elkaar halen
  4. zorgvuldig zijn in de communicatie betreffende de bevindingen, maar meer nog inzake de conclusies.

Wat kunnen wij meten met een EMG?

Wat men kan meten is eigenlijk griezelig weinig. Alle gemeten waarden hebben betrekking op vezels, die het nog goed doen. En dat zijn de vezels waarvan we meestal al wisten, dat zij het nog deden. Dat de opgewekte potentialen vaak wat laag van amplitude zijn bevestigt eveneens wat wij al wisten.

En suggereert een voor buitenstaanders bedrieglijke nauwkeurigheid in termen van honderdsten van een milli- of microvolt, terwijl de héle milli- of microvolt niet eens reproduceerbaar is. Reden dus, om bij het bestuderen van een uitslag de leesbril op te zetten.

Als wij bij een axonale polyneuropathie een lage amplitude van CMAPs en SNAPs vinden. Dan is het ontbrekende deel van de amplitude wat wij wilden meten, niet het overgeblevene. Helaas zullen wij nooit weten, hoeveel er is verdwenen, omdat de uitgangswaarde niet gemeten is.

Blokkades en zenuwgeleiding

Zelfs als wij wel zouden weten hoeveel er is verdwenen, dan zouden wij weliswaar mogen denken, dat lage CMAPs samenhangen met zwakte en lage SNAPs met verminderd gevoel. Maar wij zouden ons toch moeten realiseren, dat deze correlatie op zijn best globaal is.

De bij het naaldonderzoek gevonden denervatiepotentialen zijn nooit een maat voor spierzwakte. En de hooggevolteerde polyfasische MUPs zeggen meer over de vitaliteit van de resterende zenuwvezels, dan over het aantal kapotte vezels.

In het geval van een demyeliniserende polyneuropathie kijken wij met grote belangstelling naar blokkades, abnormale dispersie en trage zenuwgeleiding. Helaas hebben de blokkades meestal betrekking op zwakte door uitval. BIj b.v. de helft van de m. extensor digitorum brevis, een spier, waarvan totale uitval door de patiënt niet wordt bemerkt.

Blokkades ten aanzien van klinisch relevante, meer proximaal gelegen, spieren zijn niet of nauwelijks aan te tonen. De trage geleiding en de dispersie hebben geen relatie met zwakte. Ze zijn voor ons interessant, maar de patiënt merkt er niets van.

Wat meten wij niet?

Helaas veel. Als er in het EMG-verslag staat: ”geen aanwijzingen voor een polyneuropathie”. Dan moeten wij lezen: ”geen aanwijzingen gevonden voor uitval van de dikste motore en sensibele vezels in de distale delen van de onderzochte zenuwen”. Over de dunne vezels staat nooit iets in een verslag, omdat niemand daarvan de geleidingssnelheid kan meten. En uitval slechts gebrekkig vaststellen.

Voor de praktijk betekent dit, dat alles wat gaat over pijn, branderigheid en autonome schade, geen irrelevante onderwerpen in de geneeskunde, zijn geheimen in de EMG kamer nog minder bloot geeft dan in de spreek- en onderzoekskamer. Het probleem van kwantificering van proximale schade werd al genoemd.

Conclusies

Hoe geloofwaardig is de conclusie, dat een polyneuropathie axonaal of demyeliniserend is? Bedoelt men, dat de demyelinisatie het primaire proces is? Of bedoelt men, dat axonale schade ook myelineschade met zich meebrengt? Of dat de gemiddelde maximumsnelheid terugloopt, als de dikste vezels niet meer meedoen?

Als het er toch niet toe doet, geeft het niet, maar soms doet het er wèl toe. Moet men dit soort twijfels niet in de conclusie verwerken? En wat moeten wij met de soms nog opduikende conclusie, dat het gaat om een gemengd axonale en demyeliniserende polyneuropathie?

Het verslag

Dit brengt ons direct op het verslag. Het risico van misverstanden en voorbarige conclusies wordt een stuk kleiner, als bij iedere conclusie helder wordt, waarop deze berust. Zeker als het verslag wordt gelezen door een collega, die de ins en outs van het EMG niet goed kent.

De communicatie

Het is gelukkig bon ton om CT’s en MRI’s samen met de radioloog te bekijken. Dit om er zeker van te zijn dat plaats en ernst van de afwijkingen van de patiënt overeenkomen met de plaats en ernst van de afwijkingen op de foto: men denkt slechts aan de complicaties van Multiple wervelmetastasen. Als het EMG niet door onszelf is gemaakt, is een bespreking van de bevindingen zeker zo nuttig.

Als het wel zelf is gemaakt, is een reflectie op de reikwijdte van bevindingen en conclusies wellicht goed bestede aandacht. Het is dan ook jammer, dat de meeste arts-assistenten in opleiding, die van meet af aan wel leren met verstand te kijken naar CTs en MRIs, pas na ruim vier jaar leren wat de mogelijkheden en onmogelijkheden van het EMG zijn. Vaak werden dan al ruim vier jaar lang aanvragen met hooggestemde verwachtingen geschreven en uitslagen bestudeerd. Die vervolgens toch niet opleverden, wat men had gehoopt.

De vraagstelling

In dit geschetste veld vol discrepanties is duidelijk dat een EMG alleen informatief kan zijn als er een adequate vraag is gesteld. Wie voor een diabeet met klinische verschijnselen van een neuropathie een EMG aanvraagt, krijgt een voorspelbare uitslag. Want ook elektromyografisch is er een neuropathie.

Of voor een patiënt met brandende voeten, maar zonder aantoonbare uitval, krijgt ook een voorspelbare uitslag: geen afwijkingen.

Bij twijfel over de aanwezigheid van een neuropathie, kan enkele pertinente vragen stellen:

  1. Is er schade aan het perifere zenuwstelsel?
    1. zo ja, is deze motorisch? of
    2. juist sensorisch?
    3. beide?
    4. van de dunne vezels?

Wie al weet, dat er schade aan het perifere zenuwstelsel is, kan vragen:

  1. is dit te documenteren?
  2. is er meer schade, dan ik zie, b.v. ook aan de dikke vezels, of ook aan de armen?
  3. wat is de aard van de schade: axon of myeline?

Wie al weet, welke ziekte de patiënt heeft, kan vragen:

  1. is er een andere aandoening bij, b.v. CIDP bij diabetische polyneuropathie?
  2. nemen de afwijkingen toe ( moet ik behandelen?)
  3. nemen de afwijkingen af ( moet ik niet behandelen?)

Zo stelt men vragen, die in principe te beantwoorden zijn. En waarvan de uitkomsten van nut kunnen zijn voor het te voeren beleid.

Versie oktober 2009; Auteurs: Prof. dr. Jan M. Keppel Hesselink en Drs David J. Kopsky, artsen

Bekijk hier video’s van onze patiënten over neuropathie.

‘Wat is een EMG, of een Elektromyogram?’

Ook interessant…

Met Taxol meer neuropathische pijn
Wat zijn de beperkingen van iontoforese?
SMON Subacute myelo-optische neuropathie
Neuropathische fantoompijn na borstamputatie
Pijnstillende crèmes bij Fibromyalgie
Tanezumab: veel hoop, weinig literatuur
Raptor Pharmas NGX426 voor neuropathie pijn
Dr. Jan J Jansen, neuroloog: in memoriam
Fibromyalgie behandelen met Fenytoine crème
Neuropathie bij brandwonden
Hoe is Fibromyalgie als aandoening ontstaan?
Q10 helpt bij neuropathie na chemo
Niet om te lachen: Lachgas geeft neuropathie
Palmitoylethanolamide (PEA) bij spierziekte ALS
Tips van Fibromyalgie patiënten voor elkaar

Pijnstillende crèmesClonidine crèmeKetamine crèmeSOLK of MOK?Cannabis bij DVNVragen over CannabisCIAP aanpakken


Wat kunnen wij voor u betekenen?

Wat kunnen wij voor u betekenen?

Ik ga akkoord met de privacyverklaring*